Columns uit het ledenblad van de Cultuur Historische Kring Sint Joris.
Mariaspekken
Ik ben drie, zij vijfentachtig. Ik heb lange blonde krullen, zij een klein grijs knotje. Ik ben piepjong, zij heeft een leven achter zich. Ze is de oudste vrouw die ik ken en ik ben haar grootste fan!
Wanneer ze bij mijn grootouders op bezoek komt, komt ze langs de voordeur, niet langs de achterdeur. Dat vind ik plechtiger. Als ik haar de gang zie binnenstappen, maakt mijn hart een sprongetje! Ik huppel haar verwachtingsvol door het huis achterna.
Ze zetten zich aan de keukentafel. Langs het raam zit mijn meme, Madeleine, langs de andere kant, dicht bij de kachel, zit mijn oudste vriendin, Julia. Op de tafel verschijnen koffie en koekjes. Ze praten maar wat ze zeggen gaat aan mij voorbij. Mijn ogen zijn gericht op haar grote bruine ‘kaba’ die naast haar de op de grond staat. De kriebelbeestjes in mijn buik rennen vol spanning heen en weer maar ik weet wat hoort. Goede manieren zijn belangrijk, zegt mijn meme altijd. Dus ik vraag niets en wacht geduldig af.
En dan is het eindelijk zover, Julia’s hoofd draait in mijn richting. In haar ogen zie ik de pretlichtjes. Hier heeft ze evenveel plezier in als ik. Ze wenkt me dichterbij en ik haast me naar haar toe. Dan neemt ze haar kaba en doet hem langzaam open. Ik gluur naar binnen. Daar liggen ze, op de bodem van haar tas, een zak Mariaspekken! Het water komt me in de mond. Er zijn op de wereld maar twee snoepen die ik lust: de rolletjes die ik in de bakkerij krijg van Fernande en de Mariaspekken van Julia.
Mijn hand vult zich en na een enthousiaste dankuwel verdwijn ik in de eetplaats met mijn buit die ik gulzig opeet. Mijn dag is goed.
Ik ben al lang geen drie meer en Julia heb ik niet zo lang gekend. Ze stierf toen ik vier was. Ze was één van de eerste die begraven werd op de nieuwe begraafplaats aan de andere kant van de vaart. Soms ging ik daar nog eens langs, bij haar graf, met een boeketje bloemen dat ik onderweg plukte.
Met haar kleine gebaar nestelde ze zich stevig in mijn kindergeheugen. En af en toe springt ze op onverwachte momenten terug naar boven, zoals onlangs, toen ik eind november met een volle kar in een lange rij sta aan te schuiven aan de kassa in de Okay. Ik zucht en kijk gefrusteerd naar de klok die boven de uitgang hangt. Ik sta hier bijna een kwartier en mijn diepvrieserwten beginnen te ontdooien. Maar dan valt mijn blik op een grote metalen mand, strategisch opgesteld tussen twee kassa’s. Mariaspekken! Dat flitst me veertig jaar terug in de tijd en de kriebelbeestjes in mijn buik komen opnieuw tot leven.
De lange rij kan me niets meer schelen! Met een grote glimlach op mijn gezicht schuif ik verder aan.
Elnett
‘Welke geur brengt jou terug in de tijd?’
Ze kijkt me verwachtingsvol aan. Ze heeft me net haar verhaal verteld. Over hoe ze over ’t Zand in Brugge liep, over hoe ze een dame kruiste met een zwaar parfum en over hoe die geur haar meteen terugbracht naar de tijd dat ze een klein meisje was en ging spelen bij haar vriendin. Haar vriendin had een nanny en die nanny had net hetzelfde parfum.
Ik aarzel. Niet alleen haar ogen maar ook alle andere ogen van de groep zijn op mij gericht. Iedereen heeft net zijn ervaring verteld, over een specifieke geur die hen stante pede terugvoerde in de tijd. Ik schud een beetje beschaamd van nee. Ik heb niet zo’n verhaal. Misschien had ik er vroeger een, maar ben ik het vergeten.
In mei, het geurgesprek lag ondertussen maanden achter mij, had ik afgesproken met vriendinnen om een dag te gaan wandelen. Het beloofde warm te worden en ik stond in de badkamer te twijfelen wat ik zou doen met mijn haar. Ik wou iets gemakkelijks, dat niet ging plakken bij het zweten en dat niet steeds voor mijn ogen viel. Mijn haar eindigde in een grote dot bovenop mijn hoofd. Comfortabel en praktisch. Nog even haarlak spuiten en ik had een dag zonder haarzorgen voor de boeg.
Mijn blik gleed door de badkamerkast en bleef hangen op de bus haarlak van mijn oudste dochter. Nu moet u weten dat mijn oudste dochter wekelijks uren in een balletzaal doorbrengt met een perfecte dot in haar haren en bij die perfecte dot hoort volgens ballerina’s maar één merk haarlak: Elnett! Ik moet zeggen dat ik, toen ze de eerste keer die bronskleurige spuitbus in de winkelkar legde, een wenkbrauw optrok. Wou een jong meisje niet iets hippers? Nee, bezwoer ze me, Elnett is de beste.
Ik nam snel de bus haarlak, richtte die op mijn kapsel en drukte op de knop. Toen gebeurde het! Die geur!
Ik ben terug een klein meisje dat ongedurig van het ene been op het ander springt terwijl haar grootmoeder Elnett over haar grijze permanent spuit. De geur van belofte, de geur van uitstapjes, de geur van op bezoek gaan, de geur van naar de Waterlady fietsen om daar een ijsje te eten en een vers geperste fruitsap te drinken. De geur van mijn grootmoeder.
Het overvalt me en ik weet niet of wat ik voel blijdschap of verdriet is. Het voelt een beetje als beide.
De bus Elnett staat nog steeds in de badkamerkast. Hij zal er nog heel lang bijven staan en als hij op is, komt er gewoon een nieuwe. Hem gebruiken, zal ik voorlopig niet meer doen. Mijn verhaal vergeten, evenmin.
De bank der wijzen
Het mag gezegd worden. Sint Joris is een schoon dorp met prachtige beschermde dorpsgezichten en gebouwen. Bovenaan de lijst met erfgoed prijkt de Lattenklieversstraat. De arbeidershuisjes tussen de Kooldreef en het oude gemeentehuis, de interbellumwoningen aan de vaart, de linde op het
Pelderijn, … het zijn stuk voor stuk juweeltjes. Graag wil ik nog eentje nomineren. Een beetje postuum want mijn nominatie is jammergenoeg al uit het dorpsgezicht verdwenen.
Midden in het dorp, naast het oud gemeentehuis, onder de zware takken van de oude ceder, stond de bank der wijzen. Zijn witte kunststoffen zitting verkleurde doorheen de jaren tot een rokerig geel. Bijna altijd zat er iemand op, alleen of in een groepje. Of het echt de bank der wijzen was, laat ik in het midden. Maar als kind, dacht ik dat toch.
De bank had zijn vaste klanten. Het waren gepensioneerde mannen die in de buurt van het oude gemeentehuis woonden. Mijn grootvader, Ivo Vandewiele, was er één van. Vanop de bank overschouwden ze het dorpsleven. Ik herinner me versleten petten, blauwe schorten, geruite pantoffels en vooral veel gepraat. Ze boezemden bij mij ontzag in. Ze zagen alles en wisten alles. Doorheen het raam van mijn grootouders, die aan de overkant woonden, hield ik hen in de gaten. Ze
hadden een heel leven achter zich. In mijn ogen waren ze het collectief geheugen van het dorp, gezeten in het kloppend hart van Sint Joris, daar waar Dorpsstraat, Smissestraatje en Maria- Aaltersesteenweg samen kwamen. Soms hoorde ik een verhaal over hoe hun leven was geweest en wat ze in hun kindertijd hadden uitgespookt. Hen zelf iets vragen, durfde ik niet.
Ik wou dat elk dorp er eentje had, een bank der wijzen. Een bank waarop mensen elkaar ontmoeten en gewoon even praten. Of zelfs niet praten, samen zitten en in stilte kijken is soms al meer dan genoeg.
Zoals ik al schreef, ik ben een beetje laat. De bank is weg en vervangen door twee metalen modellen, die een paar meter verderop staan. Ik vrees dat die minder gemakkelijk zitten. Maar misschien moeten we ons daar niets van aantrekken, van dat harde metaal, en af en toe, desnoods met een kussentje onder ons zitvlak, er even op gaan zitten. Misschien wel zoals mijn grootvader, met een grote porto in de hand. Dan wordt niet de bank, maar de mensen die erop zitten het dorpsgezicht,
het erfgoed. Beschermd roerend erfgoed.
Vogels
In de top van de kolossale berk die in de tuin van mijn buren staat, bouwen twee eksters een nest. Geduldig puzzelen ze takken tot een robuust bouwsel dat hun eieren en jongen zal beschermen. Al dagen volg ik door mijn verrekijker gefascineerd hun arbeid. Ik bewonder hun lef maar heb ook mijn twijfels. Zo wiegt het nest bij het minste zuchtje wind heen en weer. Zullen de jongen niet zeeziek worden? Bovendien is het nest zo hoog. Een onbevreesd jong dat over de rand tuimelt, overleeft zo’n val nooit. En zullen de jongen de eerste keer dat ze hun vleugels uitslaan wel goed genoeg kunnen vliegen om heelhuids beneden te geraken?
De liefde voor vogels kreeg ik met de paplepel mee. Opgroeien in een landelijk dorp met zijn velden, dreven en bossen zat daar zeker voor iets tussen maar de grootste invloeden waren zonder twijfel mijn grootvaders met hun vinken en duiven. Uren heb ik staan kijken naar de vogels die in hun volières rondvlogen en wanneer ik dan na lang aandringen eindelijk eens samen met hen zo’n volière of duivenkot mocht binnenstappen, voelde het alsof ik een heiligdom betrad. Weliswaar een heiligdom met strenge voorschriften. Niet bruusk bewegen, nergens aankomen en rustig blijven staan. Vogels die in de volière langs me heen vlogen, een duif die op eitjes zat te broeden of een kaal duivenjong waarop de eerste veertjes verschenen, ik vond het allemaal prachtig.
Vandaag zijn er nog weinig duivenzolders en volières te vinden. Samen met de generatie van mijn grootvaders verdwijnt dit beeld uit het landschap. Het hoort erbij dat de wereld verandert. De grote keuze aan hobby’s die er vandaag is, konden mijn grootvaders zich in hun jeugd niet voorstellen. Ook de tijdsgeest verandert. Als kind keek ik niet raar op van een tamme kauw die in een kleine volière zat, maar vandaag zou mijn hart breken.
De liefde voor vogels die mijn grootvaders me meegaven, is er nog steeds, maar de manier waarop ik die beleef, is anders. In onze tuin geen volières maar een gemengde haag, fruitbomen en verwilderde stukjes. De natuur mag gecontroleerd haar gang gaan. En dat wordt beloond. Elke dag sta ik te kijken van al het leven dat door onze tuin wipt. Merels, koolmeesjes, pimpelmeesjes, roodborstjes, winterkoninkjes, mussen, spreeuwen, houtduiven, een groene specht en ook die twee eksters.
Terwijl ik dit schrijf, bouwen zij vlijtig verder aan hun nest. Nog even en het is af. Dan leggen ze hun eieren en begint het broeden. Door mijn verrekijker zal ik alles vanop een afstandje volgen. Ik moet erop vertrouwen dat die eksters weten wat ze doen, dat hun jongen niet zeeziek zullen worden, niet uit de boom zullen donderen en dat ze na hun eerste vlucht veilig zullen landen.
Ik kijk nu al uit naar het moment dat ze samen met hun ouders door onze tuin wippen. Ik zal ze prachtig vinden, net als mijn grootvaders elke vogel in hun volière en elke duif op hun duivenzolder prachtig vonden.

Kersen
Ik houd van een groene, verwilderde tuin. Zo eentje waarin je als kind kan ravotten, in bomen hangen, verdwalen, verstoppertje spelen en heksensoep maken. Toen we verhuisden naar Zwevezele kregen we er een grote tuin bovenop. In mijn ogen was het een van de mooiste cadeaus die we onze dochters konden schenken.
In het begin leek de tuin op een rimboe want tijdens de bouw ging alle aandacht naar het huis. Hij overwoekerde met hoge grassen, bramen en opschietende boompjes. Maar na twee jaar vol spannende safaritochten, was het tijd ons stukje oerwoud in te ruilen voor een gazon. Enkel de
bomen achterin bleven staan, de rest ging eruit. We zouden ons eigen droomplekje maken en daarvoor hadden we een nieuw groen canvas nodig.
Al snel vonden we dat het iets meer mocht zijn dan gras en beetje bij beetje verdwenen er stukjes gazon. Ze maakten plaats voor een moestuintje, knotwilgen, gemengde haag, frambozen, blauwe
bessen, kruisbessen en ook drie kippen. Wat niet mocht ontbreken, waren fruitbomen. We plantten een appelboom en twee kersenbomen. De kersenbomen puur uit nostalgie.
Toen ik als negenjarige met mijn ouders van het Smissestraatje naar het Galgeveld verhuisde, kreeg ik ook een van de mooiste cadeaus die mijn ouders mij konden schenken, namelijk een wijk vol andere kinderen om mee te spelen: de De Coessemaekerkes, de Van Caesseelekes, de Mortierkes, …. Voor een enig kind is dat een zegen. Hele avonden en vakanties bracht ik met hen door in de Tuinwijk en op het speelplein in het Galgeveld. Het is op dat speelplein dat ik de smaak van kersen te
pakken kreeg. In de tuin van Sierrens stond namelijk een gigantische kersenboom waarvan de takken elke jaar zwaar doorhingen met bloedrode kersen. Over de draad kruipen die het speelplein en de
tuin van elkaar scheidde durfden we niet, maar we klommen zo hoog we konden om toch maar een paar van die kersen te plukken en aten ze daarna met veel smaak op.
Zoiets wou ik dus ook voor mezelf en voor mijn dochters: kersenbomen om kersen uit te plukken en die met veel smaak op te eten.
Mijn dochters zijn ondertussen het spelen bijna ontgroeid. Ze rennen niet meer rond met schopjes en emmers, zoeken geen insecten meer in de haag en kersen eten doet alleen mijn oudste af en toe.
Er breekt een nieuw tijdperk aan voor onze tuin, eentje waarin mijn oudste en haar vrienden enkele weken geleden tot een gat in de nacht rond de vuurschaal zaten en marshmallows roosterden. En al
zijn het dan geen kersen die ze snoepen, ook hiervoor blijkt onze groene, verwilderde tuin perfect geschikt.