Rauwdag beschrijft de laatste dag in het leven van George. George is een bejaarde West-Vlaamse man die na het overlijden van zijn vrouw Julia geen zin meer heeft in zijn voortbestaan. Hij neemt een drastische beslissing en meent dat een leven zonder haar niet hoeft. Hij bepaalt dat hij op 30 november zal sterven.
Het verhaal volgt George tijdens die laatste dag. Wat doet hij allemaal en hoe heeft hij zich voorbereid? Hoe zag zijn leven eruit? Welke rol krijgt vriend André in George zijn plannen? En kan André George nog stoppen?
Het boek oordeelt niet maar schetst het beeld van een gesloten man die de liefde van zijn leven en zijn houvast verliest. De daad die hij wil stellen, gebeurt niet in een opwelling maar overwogen en goed voorbereid.
ca 110 pagina’s | €20 | 14 x 21 cm | NUR 301 | Paperback | September 2023
Kopen?
Je vindt Rauwdag in de boekenhandel of online, bijvoorbeeld via bol, Standaard Boekhandel, Fnac, … . Ook verkrijgbaar als E-book.
Preview
Wil je graag een stukje lezen? Duik in het eerste hoofdstuk!

Op de dag van zijn dood liep George zijn wekker af om halfzeven. Slaperig draaide hij zich om en tastte in het donker naar de drukknop die groen oplichtte. Zijn vingers raakten het scherm dat de wijzers van de wekker afschermde en gleden omhoog naar de bovenkant waar ze de kleine knop vonden die hij hard indrukte. Het geluid stierf weg. George rolde terug naar de warme kom die zijn versleten lichaam in de oude matras had gemaakt. Hij staarde naar het plafond.
Zijn ogen wenden aan de duisternis. Het zwart vervaagde tot grijstinten. Rondom hem werden vormen zichtbaar. Links van hem tekenden de grijze vlakken van de groen-wit gekleurde kleerkast zich af. Tegenover hem, voorbij de rand van het bed, verschenen de vormen van de bijhorende commode met spiegel. In de linkse hoek naast de deur, op een door houtworm aangetaste stoel, lagen zijn kleren klaar die hij met zorg had uitgekozen: vaalkaki katoenen broek met leren riem, donkerblauwe sokken, wit-rood geruit hemd met lange mouwen en grijs mouwloos gilet. Zijn ondergoed had hij gisterenavond, na zijn laatste bad, al ververst.
De kleren waren versleten en jammer genoeg te groot. Zijn sterk vermagerd, kromgetrokken lijf zou er straks in verdwijnen maar hij had besloten geen nieuwe te kopen. Vandaag maakte hij de cirkel rond.
Hij bleef nog even liggen maar trok toen aan het gehaakte touwtje dat aan de muur boven het bed hing. Licht drong de kamer binnen en George knipperde met zijn ogen. Hij drukte zich op, zette zich op de rand van het bed en strekte zijn stijve rug. Hij streek zijn grijze haren glad, nam zijn bril van het nachttafeltje en duwde die op zijn neus. Zijn altijd koude voeten schoof hij in zijn afgedragen, lederen slippers. Zijn gerimpelde hand gleed doorheen de metalen band van zijn polshorloge.
Hij nam de rood-witte wekker met oplichtende wijzers in zijn rechterhand en keek ernaar. Toen draaide hij met nauwelijks bevende vingers aan het draaiknopje en stelde het alarm in: vijf uur in de namiddag. Een diepe zucht ontsnapte hem. Het was een mooi uur om te sterven.
In zijn grijs gestreepte pyjama en dikke kamerjas daalde hij voorzichtig de trap af. In zijn ene hand hield hij de wekker, de andere hand omklemde de trapleuning. Hij snoof diep. De geur van koffie kwam hem door de hal tegemoet. Die geur was zijn zinsbegoocheling, zijn fata morgana. Eind oktober had hij zich een koffiezetapparaat met timer gekocht. Het bracht haar niet terug maar gaf hem het gevoel niet alleen te zijn, dat ze al aan de keukentafel zat en op hem wachtte. Hij hield zichzelf ermee voor de gek. Het nam een stukje eenzaamheid weg.
Op de deurmat lag de krant. Een uur geleden was Het Laatste Nieuws voor de laatste keer via de gleuf in de voordeur zijn huis binnengegleden. Johan van de krantenronde had zijn linkerwenkbrauw opgetrokken toen hij begin november in de krantenwinkel stond en zei dat hij na deze maand geen krant meer hoefde. Zijn ogen wilden niet meer, had hij gezegd, en had naar zijn bril met dikke glazen gewezen alsof hij moest bewijzen dat hij het niet verzon. Johan had geen verdere vragen gesteld en met een rode balpen zijn naam op de klantenlijst doorstreept.
George steunde met zijn linkerhand tegen de muur en zakte voorzichtig door zijn stramme knieën, bang om te vallen. Hij greep de krant en duwde zich recht. Zijn ogen gleden over de voorpagina en vonden de datum: 30 november. Deze datum zou morgen in elegante zwarte cijfers op zijn rouwbrief staan die bij drukkerij Vanparys door de drukpers zou rollen. De instructies hiervoor stonden op gelijnd papier, nauwkeurig uitgeschreven, geduldig wachtend in een met tonglikken dichtgeplakte envelop, die leunde tegen de klok op de eiken balk van de schouw. Hij vouwde de krant dicht, schuifelde richting keuken en goot zichzelf een tas decafeïne in. Wat overbleef in de pot goot hij in een gebloemde thermoskan.
In het midden van de keuken stond een rode formica tafel met vier bijpassende formica stoelen. Ze hadden ze als set gekocht toen ze in 1963 naar hun eigen woning in de Beukenlaan verhuisden, de rechterhelft van een moderne tweewoonst.
‘Ziet ons, keppe,’ had ze de eerste avond glunderend gezegd toen iedereen naar huis was en ze te midden van hun dozen in hun nog naar verf ruikende living stonden.
Ze had zijn handen vastgepakt en op haar heupen gelegd. Haar armen had ze om zijn nek geslagen. ‘Meneer Verbouwe, wij zijn de trotse eigenaars van een eigen huis met keuken, badkamer en tuin!’
Hij had haar stevig tegen zich aan getrokken, haar hoofd teder rustend tegen zijn pezige schouder. Langzaam draaiden ze rondjes op een melodietje dat hij zacht in haar oor neuriede.
Hij zette zich aan zijn kant van de tafel, op de stoel die het dichtst bij de achterdeur stond. Zijn kamerjas viel open.
‘Keppe, doet uw peignoir dicht, straks krijgt ge nog een longontsteking,’ hoorde hij haar stem in zijn hoofd.
Een gelaten glimlach verscheen nauwelijks zichtbaar op zijn lippen. Het deed er niet meer toe, of hij een longontsteking opliep of niet.
Als ze hier zou zijn, zou ze berispend haar hoofd schudden en zwijgend zijn tas vullen met koffie. Daarna zou ze zich aan haar kant van de tafel zetten, op de stoel het dichtst bij het fornuis. Ze zou de krant in twee stukken delen: streeknieuws voor haar, de rest voor hem. Nu bleef haar stoel leeg en de krant onaangeroerd.
Alles stond klaar. Hij had de avond voordien de tafel gedekt. Geen zottigheden, zoals ze zei, waarmee ze pistolets of boterkoeken met crèmevulling bedoelde, alleen wat hij elke ochtend at: twee bruine boterhammen zonder korst, met een dikke laag boerenboter en vier speculooskoekjes. Hij dopte zijn boterham in de koffie en nam een grote hap. Het voelde warm, zacht en smaakte zoet. Zijn ogen bleven rusten op de wekker die naast zijn dampende tas stond: kwart over zeven. In zijn hoofd maakte hij de rekensom. Nog 590 minuten, dacht hij opgelucht, nog even en het is voorbij.