Korte teksten

Imagine me

De glazen zuil zoog Noah naar zich toe. Ze was gevuld met water en verbond de betonnen vloer met het zwart geschilderd plafond. Ze was het pronkstuk in het midden van de minimalistische inkomhal. 

Ze trok aan hem, zong hem als een sirene toe. Zijn gebogen lichaam richtte zich op en zijn benen droegen hem naar haar paarse gloed, die zijn gezicht verlichtte in de duisternis. Hij kon zichzelf zien op haar gebogen wanden.

Traag hief hij zijn arm op. Zijn vingers raakten het koele glas. In het water rezen en daalden doorschijnende kwallen, elk een theekopje groot. Ze gleden met lome bewegingen langs elkaar heen. Samentrekkend, ontspannend, geen haast, hun lange tentakels als uitgerafelde linten achter hen aan. 

Noah drukte zijn voorhoofd tegen het glas. Zo wou hij zijn. Gewichtloos. Gedragen door water. Ongestoord deinend op elke verandering in de stroming.  

Zijn hartslag zakte en zijn ademhaling vertraagde. Zijn huid versmolt met het glas. Eén voor één loste het water zijn gedachten op. 

Wiskunde

Ik hou van wiskunde. Ik hou van haar eenvoud, haar sierlijkheid, van de elegante nonchalance waarmee ze een complexe vraag herleidt tot een onbetwistbaar antwoord. Waar anderen haar zien als chaos, zie ik schoonheid. Ze biedt me geen verwarring maar houvast. 

Wanneer het me teveel wordt en de wereld me overweldigt, vlucht ik hierheen, naar deze raamloze kamer. Ik sluit de deur, knip het licht uit, schuif voorzichtig naar het midden en zet me op de grond. De absolute afwezigheid van licht ontdoet mijn ogen van hun nut. Duisternis sluit geen compromissen. 

Op die momenten vlijt de wiskunde zich als een lome kat op mijn schoot neer en rolt ze zich spinnend op tot een warme, behaaglijk bol. Vanuit mijn navel tovert ze drie assen, loodrecht op elkaar, en alles wat ik niet meer zie maar enkel nog hoor, projecteert ze als lichtgevende bakens in haar driedimensionale wereld. Wat onzichtbaar om me heen zweeft, pint zij met precisie vast. 

Elk geluid krijgt een coördinaat: het kraken van een stoel, een buurvrouw op de gang, een zoemend apparaat, een deur die open zwaait. Eén voor één bepaalt ze hun positie en doorheen die punten slingert ze lichtgevende parabolen en ellipsen. In mijn hoofd schept ze een zinderend en pulserend landschap met in de rechterbovenhoek een puntenwolk van gezucht. En het nulpunt van dit alles, dat ben ik. 

Over mijn hond die geen vegetariër wou worden

Jammergenoeg was mijn teckel minder vegetarisch. Ondanks de bevlogen uiteenzettingen die ik dagelijks gaf, weigerde hij mijn idealen te volgen. Hij bleef doof voor mijn argumenten van dierenleed en trauma. Ik toonde hem foto’s van kaal gepikte kippen op kromgegroeide poten die het net niet begeven onder hun onnatuurlijk kolossale gewicht, van opgeschrokken kalkoenen die elkaar vertrappelen en verstikken, van moederloze kalveren die hartverscheurend loeien en van afgestompte varkens die door tot waanzin drijvende verveling elkaar de staart afbijten.

Het had geen zin. In zijn donkerbruine ogen glinsterde geen zweem van weerzin maar enkel zuiver verlangen. Bij elk beeld klapperde hij met zijn tanden en likte hij gulzig aan zijn lippen. 

Hardnekkig bleef ik zijn eetbak vullen met een regenboog aan groenten, granen, vleesvervangers en fruit maar bij alles wat niet bruin kleurde en naar verderf stonk, haalde hij zijn neus op. Zodra hij de inhoud zag, draaide hij zich resoluut om en trippelde staartzwiepend de deur uit. En terwijl ik elke avond fanatiek kauwde op couscous, hummus, paprika, tomaat en tofu zette hij zijn vlijmscherpe tanden in een stuk weggesmeten kippenbout of een bedorven restje hesp dat hij uit de vuilniszak van de buurman viste. Ik walgde bij de gedachte dat de resten, van wat ooit een levend dier was, straks zouden rotten in zijn darmen. 

Het was slechts een kwestie van tijd voordat hij mij voor een onmogelijke keuze zou plaatsen: mijn liefde voor hem of mijn liefde voor elk ander dier. 

Koffer

Dries plantte zijn knie stevig op de bovenflap van de versleten koffer. De ruwe kunststof veranderde zijn gebruinde huid in een verhakkeld landschap met putten en kraters. 

Het deksel kraakte. Met ingehouden adem trok hij de weerbarstige rits een stukje verder. Knie verplaatsen, nog een stukje, opnieuw knie verplaatsen. Centimeter voor centimeter gaf de zwarte Samsonite zich gewonnen, de wanden strak gespannen als een etterende buil die elk moment kon openbarsten. 

Hij keek een laatste keer in de spiegel boven de ladenkast. Was hij dat? Hij nam zijn zonnebril en zette die op. De donkere glazen verborgen wat hij niet wou zien.

Op de kast lagen haar spullen: een Libelle, een bijna lege pot Nivea waarmee ze elke avond haar handen insmeerde, een vergeten flesje spuitwater en twee flesjes nagellak, Pink Lady en Sweet Cherry. Het zag er zo onschuldig uit. Ze zag er zo onschuldig uit. 

Hij rechtte zijn rug en nam de koffer vast. Het handvat sneed in zijn hand. 

De koffer was altijd een ‘heen-en-weer’-koffer geweest, een vaste waarde op hun gezamenlijke zomervakanties en citytrips. Zijn hoeken en wielen schaafden zich aan de binnenkant van de autokoffer, laadruimtes in vliegtuigen, hotelkamers en kinderkopjes waar ze hem aan zijn handvat op en neer wippend overheen trokken. 

Nu werd de koffer een ‘heen’-koffer. ‘Weer’ was geen deel van het plan.

Draadjes

De kleine jongens liepen hun gehaaste vader stilzwijgend achterna. Hij was veel te snel met die lange benen. Hij had hen beloofd dat ze deze avond zouden kamperen in het hemelbed van tante Sarah. 

In een versleten plastic zak zat hun pyjama en tandenborstel. De zak wipte op en neer. De pyjama’s waren versleten. Elke dag werden ze dunner, ze verloren massa, elke dag een draadje. Op de knieën was hun pyjama zo dun dat je er bijna dwars doorheen kon kijken.

Nu moesten ze naar tante Sarah. Papa was altijd ergens anders. Zelden sliepen ze in hun eigen bed. De pyjamadraadjes lagen dan ook als kruimels verspreid over de huizen van familie en vrienden. Een katoenen spoor dat vertelde waar ze al overal de nacht hadden doorgebracht. 

Liefst zouden ze stoppen met rennen. Het is heel goed om soms gewoon te zitten, op een vaste plaats te blijven. Geen draadjesspoor meer na te laten maar een draadjesberg te laten groeien op de grond waar ze wortel schoten. Goed is wat de kudde samen houdt. Wanneer zou hun vader dat ‘goede’ vinden en konden ze de nachten onder eenzelfde dak doorbrengen? Wanneer vond hij zijn grond? Zijn grond waarop hij voor hun kudde een huis zou bouwen? Een huis met een eigen bed en eigen voordeur. Niet meer het bed en de voordeur van een dichte familie of verre kennis. 

Roodkapje

‘Dus mevrouw werd opgegeten door een wolf?’

Ik zie het aan zijn ogen. Hij gelooft me niet. Over mijn hoofd heen, werpt hij een veelbetekende blik naar zijn collega die achter mij staat. Ik hoor de collega gniffelen. 

Ze geloven mij nooit. Ze geloofden me vorige week niet toen ik zei dat één van mijn glazen schoenen was gestolen. Ze geloofden me de week ervoor niet toen ik zei dat er een heks bij mij aanbelde die me giftige appels wou verkopen. En ze geloofden me de week daarvoor niet toen ik zei dat er een man met mijn kind vandoor was en ik als losgeld zijn naam moest raden.

‘En als u bent opgegeten door een wolf, hoe kan het dan dat u hier zit?’

Het gniffelen gaat over in onderdrukt geproest. Een derde agent komt binnen en gaat naast de agent voor mij staan. 

‘Omdat de jager er me uithaalde’, antwoord ik kalm, ‘met zijn mes.’

De agent voor mij houdt zijn gezicht in de plooi.

‘En hoe was dat daar dan? Zo in de buik van een wolf.’

‘Niet een wolf.’ verbeter ik hem. ‘Dé wolf.’

‘Goed, zoals u wil, mevrouw. Hoe was dat daar, in de buik van dé wolf.’

‘Donker.’

De agent achter mij barst in lachen uit. Ik negeer het.

‘Donker. Warm. Vochtig. En zuur. Heel erg zuur. En slijm. Heel veel slijm.’

De agent voor mij tikt onbewogen mijn antwoorden tot een verslag.

‘En u zat dus in de buik van dé wolf?’, vraagt de derde agent.

Ja, knik ik. God toch, wat zijn ze hier traag van begrip!

‘Dus u zat in de buik.’, gaat hij verder. ‘En daar was het donker, warm, vochtig, zuur en slijmerig?’

Ik knik enthousiast van ja. Eindelijk, iemand die luistert!

‘Waarom bent u dan niet helemaal doorweekt?’

Mijn mond valt open. Ongelooflijk! Alles moet ik uitleggen. Ik schraap mijn stem en antwoord zo rustig mogelijk.

‘Ik heb me gedoucht.’

‘Ach, ja, zo.’

‘En daarna heb ik mijn haar gebrusht. U denkt toch niet dat ik doorweekt naar hier zou komen?’

De agent die voor me zit, strekt zijn rug, kraakt zijn vingers en buigt zich naar me toe. Zijn hoofd hangt boven het scherm van zijn laptop.

‘Mevrouw, elke week is het iets anders. Deze week is het de wolf, vorige week één van uw boze stiefzussen, daarvoor een heks die dacht dat u Sneeuwwitje was en daarvoor, even kijken … Ah ja, hier staat het, Repelsteeltje.’

De agent die naast hem staat neemt het over.

‘U diende ook al klacht in tegen de Sneeuwkoningin, een slechte fee die u een spinnenwiel wou verkopen en een Vrouw Holle omdat er teveel sneeuw voor uw voordeur lag.’

Ik zak dieper weg in de stoel.

‘U neemt me niet serieus.’

‘Nee mevrouw, u neemt ons niet serieus. We kunnen dit niet elke week opnieuw doen.’

‘Ik zweer het u! Hij achtervolgde me al…’

‘Ja, dat zei u al, hij achtervolgde u al van in de Albert Heijn waar u koekjes ging kopen voor uw zieke grootmoeder.’

‘Ja’, antwoord ik kleurloos.

‘En toen u met die koekjes en een boeket bloemen dat u onderweg nog had opgepikt bij uw grootmoeder kwam, lag niet zij maar hij in haar zetel.’

Ik schud traag mijn hoofd.

‘In haar bed’, verbeter ik de agent die me geen aandacht geeft maar onverstoord verder gaat.

‘En toen slokte hij u op.’ 

Hij kijkt me vragend aan.

‘Dé wolf?’

Ik knik bijna onzichtbaar ja en sluit mijn ogen. Ik laat mijn hoofd achterover vallen in mijn nek. Het dringt door. O mijn God, wat een onzin heb ik hier verteld! Heb ik echt verteld dat een wolf me opat? Dat een heks me giftige appels wou aansmeren? Dat Repelsteeltje mijn kind wou stelen?

Ik voel hoe de atmosfeer in de kamer verandert. Geen gelach meer.

‘Het spijt me’, prevel ik beschaamd en grijp naar de handtas die onder mijn stoel staat.

‘Het spijt me, echt. Het zal niet meer gebeuren. Ik doe er iets aan.’ Ik stel me recht, stoot net niet de stoel omver en haast me naar de deur.

‘Mevrouw, u moet naar uw dokter. Nogmaals, we kunnen dit niet elke week doen.’

‘Tuurlijk niet. Doe ik. Het spijt me.’

Ik vlucht weg. Door de gang, langs de wachtruimte, langs het onthaal, naar buiten.

Ik duw de glazen deur open. Frisse buitenlucht blaast in mijn gezicht. Ik adem diep in en sluit mijn ogen. Ik voel de zon die straalt op mijn gezicht. Warmte. Geborgenheid. Ik pak dit aan! Het komt terug goed met mij.

Tot plots. 

Iets donkers valt over me heen. Het blokkeert de zon.

Ik open geërgerd mijn ogen. Voor me staat een man, met een lange mantel en met een fluit rond zijn riem. Aan zijn voeten zit een dikke vette rat. De man kijkt me glimlachend aan. Dan grijpt hij zijn fluit, begint te spelen en wandelt weg. De rat en ik volgen.

De kraan drupt

Ik wil niet aan je denken maar de kraan drupt. 

Het was een warme zomerdag. We zaten aan de rand van een veld. Jouw hand lag naast de mijne. Ik keek je zijdelings aan maar jij keek naar de koeien die herkauwden in de schaduw van een oude gespleten wilg. Uit je mond stroomden woorden: Holstein, Witblauw, Jersey, West-Vlaams Rood, vleesproductie, melkproductie en voederconversie.

Een wolk schoof voor de zon. Het werd koud. Mijn hand gleed terug. Ik kwam alleen thuis. Dikke druppels spatten uiteen op mijn hoofd.

Ik wil niet aan je denken maar de kraan drupt.

Zwemmen

‘Nee! Ik. Doe. Het. Niet.’

Mijn vingers klampen krampachtig de stenen rand van het zwembad vast. Mijn lippen zijn blauw. Mijn tanden klapperen.

‘Je laat nú los!’

‘Nee!’

Ze torent dreigend boven me uit. Eén meter tachtig vrouwenvlees, gehuld in strakke sportshort en haltertop. Mijn sportjuf. Ze wil dat ik zwem maar ze vergeet dat je zwemmen moet leren. En ik heb niet leren zwemmen.

‘Als je niet loslaat en begint met zwemmen, laat ik je hier het volgende lesuur ook hangen,’ sist ze me toe.

Ik staar strak voor me uit, naar haar rood gelakte teennagels. Elke week een andere kleur.

‘Ik kan niet zwemmen,’ herhaal ik. 

‘Je wilt niet zwemmen!’

In mijn ogen prikken tranen. Nee, ze mag me niet zijn huilen. Dat gun ik haar niet!

Ik werp een snelle blik op de klok. Ik hang hier al zevenendertig minuten. Achter mij zwemt de rest van de klas zwijgzaam baantjes schoolslag.

‘Je hebt nog drie minuten. Zwem je niet, dan kom je het zwembad niet uit.’

‘U kunt me hier niet houden!’ roep ik bibberend.

‘Wacht maar af. Je hebt geen idee van wat ik allemaal kan.’

De gelakte teennagels komen dichterbij. Ik druk mijn vingers nog harder in de rand.

‘Zwemmen, zeg ik je!’

‘Nee,’ piep ik.

‘Zwemmen! Nu!’

Haar gelakte teennagels zijn gevaarlijk dichtbij. Als ik één hand los, kan ik ze aanraken.

‘Laatste kans.’ Haar kille stem zweeft dreigend boven mij.

Dan doet ze een kleine stap vooruit. Ze doet het elke week. Ze zet haar tenen met de gelakte teennagels bovenop mijn vingers en duwt. Ik gruw en walg. Ik weet niet wat ik enger vind. Haar tenen op mijn vingers of de blauwe diepte onder mij.

‘Zwem! Onnozel kind!’ blaft ze me toe.

Dan gebeurt het. Een grijze mist trekt door mijn hoofd en voor even lijkt mijn hoofd niet meer van mij.

Met een stem die dieper klinkt dan mijn eigen stem antwoord ik ijzig kalm: ‘Als ik zwem, dan zwemt u ook.’

Ik zie het, schrik flikkert op in haar ogen. Dit heeft ze niet verwacht. Even wankelt ze, neemt de druk op mijn vingers af. Dit is mijn moment. Ik trek mijn rechterhand onder haar voet vandaan, duw me met de kracht die nog rest in mijn verkleumd lichaam omhoog en grijp haar rechterbeen.

‘Laat los!’ gilt ze.

‘Nee’

Ik ruk aan haar been. 

Over mijn hoofd heen vliegt ze door de lucht en landt ze achter mijn rug met een grote plons in het koude water.

Happend naar adem komt ze boven. Ik sta ondertussen aan de zijkant, veilig op het droge.

‘Zwemt ú maar! Trut!’ bijt ik haar toe. 

Ik draai me om en stap onder luid applaus van mijn klasgenoten naar de douche. Genoeg zwemles voor vandaag.

La ci darem la mano

Als ik kon ging ik weg.

Als ik kon ging ik nu weg.

Als ik kon ging ik nu weg, weg van jou.

Als ik kon ging ik nu weg, weg van jou en ik keek niet.

Als ik kon ging ik nu weg, weg van jou en ik keek niet één keer om.

Je zegt dat je.

Je zegt dat je van me houdt.

Je zegt dat je van me houdt en neemt mijn hand.

Je zegt dat je van me houdt, neemt mijn hand en trekt me naar je toe.

Als ik kon ging ik weg.

Als ik kon ging ik nu weg.

Als ik kon ging ik nu het huis uit.

Als ik kon ging ik nu het huis uit en weg.

Als ik kon ging ik nu het huis uit en weg van jou.

Je zegt dat je.

Je zegt dat je me voor altijd.

Je zegt dat je me voor altijd in je leven wil.

In je leven wil.

Een leven wil.

Met mij.

Als ik kon ging ik weg.

Als ik kon ging ik nu de straat op.

Als ik kon ging ik nu de straat op en hield een auto tegen.

Als ik kon ging nu de straat op, hield een auto tegen en verdween.

Weg van jou.

Je zegt dat.

Je zegt dat je hier wonen wil.

Je zegt dat je hier wonen wil, met mij.

Je zegt dat je hier wonen wil, alleen met mij.

Dat alleen wij.

Dat de anderen.

Dat de anderen nooit.

Dat alleen ik.

Alleen ik besta.

Vroeger.

Nu.

En later.

Als ik kon ging ik weg.

Als ik kon.

Ik kan niet weg.

Ik neem je hand.

Ik neem je hand en zeg.

Ik neem je hand en zucht.

Ja.

Nacht

Keihard duw ik op de trappers.

Mijn hart pompt.

Mijn zweet stroomt.

Mijn fiets en ik razen door de nacht.

Het is pikdonker.

Ik zie nauwelijks iets.

Als ik nu val, vinden ze me pas morgen terug. Leeggebloed en koud.

Zou ik in mijn bed moeten liggen?

Ja.

Zou ik bang moeten zijn?

Misschien.

Zou het ‘verstandiger’ zijn om dit niet te doen?

Absoluut.

Kan het me wat schelen?

Nope. Niks. Nada. 

Hij stuurde een foto. 

Mijn naam op zijn arm.

Vier letters op zijn huid. 

Mijn letters.

Elly.

Ik hapte naar adem.

In mijn kamer stopte de wereld met draaien.

En toen, in het midden van mijn scherm, zijn vraag.

Was het wel een vraag?

Twee woorden. 

Niet meer.

‘Kom je’

Handke

Een wachtkamer.

De muren wit na wit.

Op het plafond een vochtvlek, geel met bruine randen.

Een vrouw op een donkerbruine plastic stoel. Haar been wipt. De stoel kraakt.

Naast de plantenbak staat een man. Gebogen. Hij zoekt tussen de bladeren van de ficus, duwt ze voorzichtig opzij.

De vrouw staat recht. Haar broekspijpen zakken niet maar spannen om haar kuiten. Ze neemt een tijdschrift, legt het terug en neemt een ander. Ze gaat zitten. De stoel kraakt. Ze houdt het tijdschrift gesloten op haar schoot.

In de deuropening verschijnt een tweede vrouw. Ze is klein en houdt een thermoskan in haar handen. Ze kijkt naar de stoelen. Ze kijkt naar de man. Ze komt de wachtkamer binnen en zet zich op de stoel naast de vrouw. Ze schroeft de dop van haar thermoskan.

De vrouw met het tijdschrift rolt het tijdschrift op. Het wordt een korte buis. Met haar linkeroog kijkt ze er doorheen.

De man kijkt van de ficus naar de thermoskan, zucht en kijkt terug naar de ficus. Hij haalt een schaartje uit de binnenzak van zijn jas. Hij knipt een blad van de plant.

De vrouw met de thermoskan haalt een beker uit haar linkse jaszak. Ze houdt de kan schuin en vult de beker.

De vrouw met het tijdschrift legt het tijdschrift naast zich op de grond en maakt de veters van haar schoenen los. Ze doet de schoenen van haar voeten. Haar voeten zijn bloot.

De man met het ficusblad scheurt het afgeknipte blad in kleine stukken. De stukjes vallen op de grond. Het laatste stukje houdt hij tussen duim en wijsvinger.

De vrouw met de blote voeten neemt haar schoenen, staat recht en loopt naar de plantenbak. Met haar rechterhand graaft ze een kuil in de plantenbak. Ze stopt haar schoenen in de kuil en bedekt ze met aarde. Dan wandelt ze weg, de deur uit.

De vrouw met de thermoskan kijkt in haar beker. Ze buigt voorover en ruikt. 

De man met het stukje ficusblad tussen duim en wijsvinger stapt naar de vrouw met de thermoskan en het kopje. Hij houdt zijn duim en wijsvinger boven het kopje. Dan laat hij los. Het stukje blad valt naar beneden en blijft drijven op de vloeistof in de beker.

De vrouw met het kopje zet het kopje met de vloeistof en het ficusblad op de lege stoel naast haar. Ze neemt haar tas. Daaruit haalt ze een lange breinaald waarmee ze langzaam in de vloeistof roert. Vervolgens droogt ze breinaald af met haar sjaal en stopt hem terug in haar tas.

In de deuropening verschijnt een jongeman. Hij schreeuwt tegen de man die bij de plantenbak staat.

De vrouw neemt het kopje en houdt het boven haar hoofd. Dan draait ze het kopje om. De vloeistof stroomt langs haar haren, langs haar gezicht en in haar hals. Haar kleren absorberen het vocht. Op haar hoofd ligt een klein stukje ficusblad.

De man bij de plantenbak stapt naar het raam en draait aan de hendel. Hij opent het raam.

De jongeman stopt met schreeuwen, neemt een stoel en zet die op de tafel met tijdschriften. Hij klimt op de tafel en vervolgens op de stoel. Hij hurkt neer op het zitvlak van de stoel.

De man bij het raam knipt met de schaar zijn broekspijpen tot lange repen. Hij klimt in het raamkozijn en fladdert met zijn armen. De repen van zijn broek wapperen in de wind. Dan springt hij de wachtkamer uit.

De vrouw met het stukje ficusblad op haar hoofd kijkt naar de gehurkte man op de stoel. Ze opent haar mond en kraait. Vervolgens staat ze recht en balanceert ze op haar linkerbeen. Ze kraait opnieuw.

Door het raam kruipt een jong meisje naar binnen. Ze heeft sproeten. In haar handen houdt ze een vogelkooi. In de vogelkooi zitten zeven harige spinnen, zo groot als druiven. Ze stapt naar de kraaiende vrouw, opent de vogelkooi, haalt een spin uit de kooi en stopt die in de mond van de kraaiende vrouw. 

De gehurkte jongen gromt.

De haag

Ze staan schuin tegenover elkaar. Mijn grijze mok gemberthee en zijn keramieken kop zwarte koffie. 

Voor hem, naast de kop met koffie, ligt een restje van een chocoladekoek. Voor mij ligt een toast met honing. Half opgegeten.

Ik staar door het raam naar buiten. De haag moet gesnoeid, het onkruid gewied, de boodschappen gedaan en de was gedraaid. In gedachten ga ik over het lijstje van de dag.

‘Waaraan denk je?’

Ik kijk op. 

‘Domme dingen.’

‘Zoals?’

‘De haag.’

Hij kijkt naar buiten.

‘Wat is er met de haag?’

‘Die moet gesnoeid.’

Met zijn linkerhand neemt hij zijn koffie. De kop laat een bruine ring na op de tafel. Ik doe alsof ik de ring niet zie en neem nog een hap uit mijn toast. Hij zet zijn koffie terug op tafel, deze keer aan de andere kant van het restje chocoladekoek, dichter bij mijn grijze mok. Een pion die nadert. 

Met zijn rechterhand veegt hij over zijn lippen en stopt daarna het restje chocoladekoek in zijn mond. De kruimels vallen op de tafel, op zijn pyjamabroek en op de grond. Ik kijk de andere kant op. 

‘Je bent stil.’

In mijn nek voel ik een zenuw trekken.

‘Is er iets?’ vraagt hij.

Ik schud mijn hoofd. De haag moet echt dringend. 

‘Vertel eens wat.’

Ik neem mijn mok gemberthee, drink een slok en plaats hem daarna aan de andere kant van mijn bord, verder weg van de zijne.

‘Er is niets te vertellen,’ zeg ik en neem nog een hap uit mijn toast. Kruimels vallen. Niet op de tafel, niet op mijn pyjamabroek, niet op de grond maar in mijn bord.

Geërgerd vouwt hij de krant open. 

‘Je vertelt nooit iets.’

Zijn koffiekop schuift hij dichter naar me toe. Ik leun achteruit en neem mijn grijze mok met beide handen vast.

‘Je moet dingen vertellen.’

‘Zoals wat?’ vraag ik.

‘Iets.’

‘Ik heb niets te zeggen.’

Hij slaat een pagina om en buigt zich over een artikel, de rug gekromd.

Ik sta recht, neem mijn bord en mok, doe ze naar de keuken en zet ze op het aanrecht.

De haag moet echt dringend.